De pegel van Johnny

Een van de jongens die ik trainde(onder 9-2), laten we hem Johnny noemen, besloot op een training ineens van afstand te gaan schieten. Tijdens partijtjes en ook wedstrijden maakte het niet uit hoe moeilijk de hoek was of hoe ver de afstand, gewoon bam, rammen op goal. Of richting goal is misschien accurater. De ballen zeilden in het begin soms zo ver naast dat ze over de zijlijn gingen, maar Johnny bleef volhouden. Gewoon geregeld als de bal voor de voeten kwam zo hard mogelijk rammen.

Na verloop van tijd kwamen de ballen steeds dichter in de buurt van de goal, tot op een gegeven moment ze de goal in gingen. Het seizoen erna werd Johnny een van de topscorers van het team. Niet alleen dat, maar hij wist de bal ook met een voorzet precies te leggen waar hij wilde al bleef zelf schieten leuker natuurlijk.

Het was zeker in die eerste maanden niet effectief, voor een coach die heel bezorgd is om de ranglijst misschien zelfs een nachtmerrie. We vergeten als volwassenen vaak dat het leren van een vaardigheid gepaard gaat met heel veel pogingen die op niets uitlopen. Hoe moeilijker de vaardigheid, hoe vaker het mis gaat doorgaans. Toch is het belangrijk om de kinderen waar we mee om gaan alle ruimte te bieden om te experimenteren.

Als ik bij die eerste pogingen meteen zou verbieden om van zover op goal te blijven rammen had dat het resultaat op dat moment ten goede gekomen, de pegel van Johnny was er echter nooit gekomen. Hetzelfde geldt voor de dribbel van een aantal van z’n ploegmaten die gek waren op pingelen.

Na het vorige WK las ik dat we als Nederland nog maar weinig dribbelaars opleiden, waar Duitsland met Musiala juist een briljante dribbelaar had. Zat een kern van waarheid in. Frenkie de Jong was lange tijd een van de uitzonderingen. Misschien wel de enige speler die met een dribbel een paar man voorbij kwam op het hoogste niveau. Ook als je kijkt naar de Eredivisie, de KKD of lager lijkt de dribbelaar een uitstervend ras. Meestal zijn het de jongens die op straat voetballen die het nog kunnen.

Frenkie gaf in een interview ook treffend de oorzaak aan. Zijn trainer riep hem vaak toe dat hij de bal af moest spelen, maar hij dribbelde gewoon naar voren. Omdat dat vaak goed afliep liet de trainer hem maar staan. Als Frenkie daar wat minder eigenwijs in was geweest, had hij z’n belangrijkste vaardigheid waarschijnlijk nooit ontwikkelt. Gelukkig was hij dat wel, zijn ploeggenoten plukken er de vruchten van. Veel kansen ontstaan nadat Frenkie eerst een paar man voorbij gedribbeld heeft, waarna de aanvallers een stuk meer ruimte hebben als zij door hem aangespeeld worden. Het leidt geregeld tot gevaar of goals.

Ook voor teams die op een veel lager niveau voetballen is het trouwens lekker om er een paar goede dribbelaars bij te hebben. Jongens die je de bal in kunt spelen waarna er altijd wel wat gebeurt. De pegel van Johnny, de dribbel van Frenkie: het zijn vaardigheden die je moet koesteren op welk niveau je ook speelt.

Als volwassene heb je een belangrijke rol in het ontwikkelen van dit soort vaardigheden. Jonge spelers vrij laten als ze wat moeilijks proberen zoals een pegel van afstand, of een dribbel langs vier tegenstanders. Misschien zelfs wat aanmoediging bieden. Dit soort dingen onder de knie krijgen lukt alleen als je daar voldoende kansen voor krijgt. Het jongetje of meisje dat zich vandaag nog vastloopt op de eerste tegenstander kan er een jaar later misschien wel drie met gemak voorbij. Je komt er nooit achter als ze de kansen niet krijgen.

Over Pokemon en motivatie

Op dinsdag passen we op de kinderen van m’n broer. Het is voor mij een van de hoogtepunten van de week als ze hier weer binnen komen druppelen. Als ze hier binnen komen zijn ze vaak even nodig om de schooldag van zich af te schudden. M’n oudste nichtje en haar jongere broertje staan niet bekend als de meest gemotiveerde leerlingen. De gedachten dwalen nogal eens als ze op school zitten en letters of sommen moeten leren die ze niks interesseren. Zo gauw ze vrij zijn en mogen doen wat ze willen verandert er echter al vrij snel wat.

De oudste begint hier in laadjes te rommelen op zoek naar knutselspullen, lijm etc. Het meisje dat op school de gedachten nogal eens laat dwalen zit ineens vol met vragen, wat gebeurt er als ik hier een kraal plak en wat voor lijm moet ik daarvoor gebruiken? Ik moet toegeven dat ik er weinig van snap, dus mij vraagt ze het al niet meer, m’n moeder daarentegen… Vervolgens slaat ze aan het knutselen en maakt steeds mooiere dingen.

Het jongste meisje doet het op school best aardig, ze luistert goed en maakt haar opdrachtjes zonder klagen, dingen waar je als school vrolijk van wordt. Eenmaal thuis mag ze grotendeels zelf bepalen wat ze doet en dan komt de onderzoekster naar boven. Toen ze 2(!) was liet ze me al zien hoe je bepaalde spelletjes op de tablet kon spelen zonder ooit een reclame te hoeven zien. Spelletje gewoon afsluiten en opnieuw openen. Die reclames zitten natuurlijk in de weg als je wilt spelen. Toen er een nieuwe afstandsbediening kwam was zij ook de eerste die er mee begon te experimenteren, want zo’n ding is gewoon heel handig als je weg bent van Disney.

M’n neefje ging het liefst naar buiten. Kijken wat voor verschillende dieren er in de tuin rondlopen, klimmen, gooien met van alles en nog wat. Als ik eens de energie had om met hem een rondje langs de Wieke te lopen vroeg hij me de oren van de kop over wat er allemaal in het water zat. Over wat er zou gebeuren als er iemand in het water viel, enzovoorts.

Kort geleden heeft m’n neefje Pokemon Go ontdekt en sindsdien is hij helemaal niet meer te houden. Na lang wikken en wegen heeft mijn broer hem een oude mobiel geleend waar hij nu zelf het huis en de tuin mee afzoekt naar Pokemon. Sinds hij het spelletje speelt heeft hij zo’n 100 namen uit z’n hoofd geleerd(Pikachu, Pikachu, Pikachu, ja!) en begint hij langzaam cijfers en letters te herkennen. Inmiddels kent hij als vierjarige meer Engelse zinnetjes dan ik met acht.

Het zal volwassenen die met kinderen te maken hebben ongetwijfeld bekend voorkomen. Dwing ze om dingen te leren en ze doen het minimaal mogelijke om er vanaf te zijn. Zo gauw ze bezig zijn met iets dat ze werkelijk interesseert verandert de motivatie enorm.

Op de site van de KNVB kun je wat vinden over de ABC van intrinsieke motivatie. Intrinsieke motivatie is de motivatie die uit jezelf komt om wat te doen. Eigenlijk het tegenovergestelde van extrinsieke motivatie waar je van buitenaf gemotiveerd wordt door bijvoorbeeld een leraar, ouder of trainer. Als m’n neefjes en nichtjes op school bezig zijn worden ze vooral gemotiveerd van buitenaf, ze moeten wat leren en daarvoor worden ze beloond met een compliment of soms een sticker. Lukt het niet dan volgt er straf, meestal in de vorm van een soort van vernedering(jij hebt een onvoldoende!), soms gewoon daadwerkelijk straf.

Voetbaltraining is niet veel anders. Toen ik nog training gaf vond ik niks leuker dan verschillende soorten oefeningen te verzinnen. Vervolgens moest ik een manier vinden om de kinderen die ik trainde te motiveren. Nu ik het zo neerzet valt het me pas echt op hoe waanzinnig het klinkt. Ik moest kinderen motiveren om hun hobby uit te voeren. Belachelijk. Maar het was wat ik deed als trainer, favoriet bij mij waren de Coerver-oefeningen. Het aanleren van trucjes om uiteindelijk in de wedstrijd te gebruiken. Ter motivatie schreef ik op wie welk trucje beheersde en als er genoeg trucjes geleerd waren door de groep kregen ze een bakje patat na de eerstvolgende wedstrijd.

Het zal jullie niet verbazen dat veel kinderen dit verschrikkelijk vonden. De eerste letter van het ABC is de A van Autonomie. Hoe meer iemand voelt dat hij of zij controle heeft, hoe gemotiveerder. Als kinderen met elkaar op straat voetballen dan zijn zij de baas en hebben ze heel veel controle over wat ze doen. Als ze bij drill-sergeant Kloppenburg op de training stonden hadden ze alleen bij het afsluitende partijtje enigszins het gevoel dat zij de controle hadden(ik koos wel de teams).

Het was overigens goed bedoeld. De gedachte was dat als ze de technieken leerden, ze in de wedstrijd allerlei leuke acties konden maken. Ik stond er alleen totaal niet bij stil of de kinderen dit ook wilden. Dat er tijdens een seizoen bij de D-tjes 5 spelers stopten leidde er bij mij alleen maar toe om nog harder te werken aan m’n oefeningen om ze nog “leuker” te maken. Leuker voor mij ja.

Nu, zo’n 10 jaar nadat ik gestopt ben met training geven denk en hoop ik dat ik het eindelijk snap. Kinderen zitten niet te wachten op oefeningen, die willen vooral spelen, Hoe minder je je daar als volwassene mee bemoeid, hoe gemotiveerder ze raken. Als ik een activiteit bedenk voor mijn neefjes en nichtjes laten ze vaak snel merken dat ze er niet op zitten te wachten. Laat je ze hun gang gaan verzinnen ze zelf van alles om fanatiek mee bezig te gaan.

Hoe vertaal je dat naar het trainingsveld? Mijn suggestie is om de poorten ’s ochtends open te gooien, materiaal naar buiten te slepen en dan laat ze het zelf maar uitzoeken. Kinderen kunnen prima zelf partijtjes of andere spelletjes organiseren. Uit onderzoeken naar sportuitval is bekend dat kinderen vaak stoppen omdat ze zelf geen invloed hebben op wat ze gaan doen. Al die mooie oefeningen die ik en andere trainers door de jaren verzonnen, hebben natuurlijk geen enkel nut als het gros van de spelers stopt. Garanties dat spelers op voetbal blijven heb je niet, maar je kunt de kans wel vergroten door ze vrijheid te geven. Met als belangrijkste voordeel dat ze daar ook een stuk gelukkiger van worden.

Ik ga in volgende blogs wat dieper in op de voordelen van vrij spel op de ontwikkeling van jeugdvoetballers. Ook probeer ik een manier uit te werken waarop echt vrij spel mogelijk is op de voetbal, vooral gebaseerd op wat ze doen op de Sudbury Valley school. Verder wil ik uitleggen wat je als trainer nog wel aan kunt bieden op welke manier en waarom. Overigens het googlen waard, de Sudbury Valley school.